DNM-online

Platform over Leiderschap, Bestuur & Toezicht

Boeken

Pieter-Paul de Baar (2024).
Theo Thijssen (1879-1943). Schrijver, schoolmeester, socialist.

Uitgeverij Van Oorschot

Pieter Leenheer

Pieter Leenheer is redacteur van DNM
E-mail: pieter.leenheer@planet.nl

Theo Thijssen is intussen zo ongeveer de bekendste onderwijzer van Nederland. Niet voor niks hebben we de nodige Theo Thijssenstraten en Theo Thijssenscholen, plus een Thijssen-standbeeld aan de Brouwersgracht en een aan hem gewijd museum in de Eerste Leliedwarsstraat. En bovendien beschikken we sinds kort dan ook nog eens over de vuistdikke biografie Theo Thijssen (1879-1943). Schrijver, schoolmeester, socialist van de hand van Peter-Paul de Baar. De Baar, onder meer oprichter van het Theo Thijssen museum, heeft er maar liefst dertig jaar aan gewerkt, maar dat is er niet aan af te lezen: het boek leest bijzonder prettig weg. En dat is bepaald een prestatie, want eerlijk gezegd was Thijssens privéleven op zichzelf nou ook weer niet zo reuze spannend. Het interessante zit hem, naast uiteraard het beeld van de ontwikkeling van Thijssens schrijverschap, met name in het beeld van de zich emanciperende onderwijzersstand tegen de achtergrond van een zich snel ontwikkelende maatschappij. Met dat laatste is De Baars biografie overigens een voortreffelijk vervolg op Onderwijzen, een onmogelijk beroep, een boekje uit 1991, waarin Saskia van Oenen en Sjoerd Karsten een beknopte geschiedenis van het onderwijzen beschreven.

Nu vond een enkele recensent dat De Baar heel duidelijk laat zien hoe actueel en springlevend Thijssens ideeën zijn. Dat is echter een opmerkelijk oordeel. Thijssen zou als je het mij vraagt, op zijn minst erg hebben moeten wennen aan een werkomgeving waarin teamwork, evidence informed werken en professionalisering bon ton zijn. Hij koesterde zijn autonome professionaliteit en vond dat de manier waarop de benodigde kennis en vaardigheden aan de kinderen moest worden geleerd een zaak van de onderwijzer zelf was: die kende zijn klas, zijn leerlingen als individu en zichzelf. Hij moest niks hebben van uitleggerige methodes: hij was daarentegen veel meer van het stampen. En van de basisvaardigheden: naar zijn idee was het programma van de toenmalige lagere school volstrekt overladen; aan grote delen van natuurkunde, biologie en aardrijkskunde waren zijn leerlingen, vond hij, totaal niet toe.

Misschien had zijn kijk te maken met het feit dat verreweg het merendeel van zijn leerlingen afkomstig waren uit wat nu achterstandsmilieus heet. Maar wel zo waarschijnlijk is dat het ook iets te maken had met de spanningen tussen onderwijzers en schoolhoofden. De toenmalige onderwijswet verleende schoolhoofden namelijk een vrijwel dictatoriale macht, terwijl onderwijzers in beginsel geen enkele vorm van inspraak hadden: ze waren slechts ondergeschikten. Jarenlang fulmineerde Thijssen tegen die stand van zaken in het blad dat hij in 1905 samen met zijn vriend Piet Bol had opgezet, De Nieuwe School, tijdschrift voor practische paedagogiek, dat zich niet alleen afzette tegen allerlei papieren pedagogiek, maar ook tegen alle bemoeienis en controle van boven- en buitenaf, van schoolhoofden en schoolopzieners tot ouders.

Die afkeer van schoolhoofden is hij nooit kwijtgeraakt. Vandaar dat Thijssen, toen hij het na 23 jaar voor de klas, wel welletjes vond, niks zag in een promotie tot bovenmeester, maar eerder dacht aan overstappen naar een kweekschool. Uiteindelijk lukte het hem echter fulltime vakbondsbestuurder te worden, annex redacteur van de vakbondsbladen De Bode, het echte vakbondsblad, en School en Huis, een blad dat erop mikte dat ouders en school elkaar beter leerden kennen. En in die wereld voelde hij zich prima thuis.

De Baar brengt uitstekend in beeld waarover onderwijzers discussieerden in hun bondsbladen en hoe ze zich, tussen de laatste decennia van de 19e eeuw en de eerste van de 20e, emancipeerden van simpele hulpjes van een schoolhoofd-annex-onderwijsondernemer tot een meer zelfbewuste beroepsgroep. Daarop ligt dan ook het accent, maar geregeld speelt daardoorheen de ontwikkeling van Thijssens schrijverschap, dat heel wat meer omvat dan Kees de jongen, dat hem zijn grootste naamsbekendheid bezorgde en bezorgt. Niet alleen schreef hij talloze beschouwingen, commentaren en kritische besprekingen van kinderliteratuur, maar ook een paar nog altijd goed leesbare romans-in-dagboekvorm zoals Schoolland en De gelukkige klas, over het wel en wee van meester Staal en zijn leerlingen. Die boeken verschillen zo ongeveer totaal van de naoorlogse romans die in onderwijs spelen. Daarin gaat het standaard over leraren vo en dat zijn dan zonder uitzondering mislukkelingen en droogkloten die voornamelijk met zichzelf bezig zijn en hun leerlingen vooral als een bedreiging zien. Welbeschouwd hadden dat soort verhalen net zo goed in een ziekenhuis of een of andere kantooromgeving kunnen spelen, en dat kun je bepaald niet zeggen van Schoolland of De gelukkige klas. Zulke boeken kun je alleen maar schrijven als je voor de klas staat of gestaan hebt, en aardigheid in kinderen hebt. En met name dat laatste maakt eerder de actualiteit uit van Thijssen dan diens ideeën over onderwijs.