DNM-online

Platform over Leiderschap, Bestuur & Toezicht

Puk Witte

Puk Witte is senior-adviseur bij Sardes en redacteur van DNM
E-mail: E-mail: p.witte@sardes.nl

Na het lectoraat en practoraat, nu ook: het primoraat

Hoe primoren de kloof tussen onderzoek en praktijk overbruggen

Het HBO kent al ruim 20 jaar de functie van lector en sinds 2012 is er binnen het MBO het practoraat. Sinds een aantal jaar is er nu ook het primoraat: een term die gemunt is door de Beroepsvereniging Academici Basisonderwijs en waaraan verschillende schoolbesturen in het primair onderwijs invulling aan hebben gegeven. Voor dit artikel gingen we op onderzoek uit: wat is het primoraat, hoe is het ontstaan en hoe ziet het eruit in de praktijk?

Een doorn in het oog van veel onderwijsinstellingen en -onderzoekers is de kloof tussen wetenschappelijke kennis en het werkveld. Het HBO stelde om die reden alweer 20 jaar geleden de functie van lector in. Een soort hoogleraar (de lector) met een leerstoel (het lectoraat), maar dan binnen het hoger beroepsonderwijs. In het begin was het nog zoeken naar hoe het lectoraat precies ingevuld moest worden, maar inmiddels is er een duidelijk beeld van wat praktijkgericht onderzoek is, waaraan het moet voldoen en welke eisen dit stelt aan de professionals die dit onderzoek uitvoeren en leiden. De lector is sinds 2017 wettelijk verankerd binnen het hbo en de functie wordt geborgd door de vereniging van lectoren met onder andere een functieprofiel en een gedragscode. Binnen het MBO kent men sinds 2012 het practoraat, waarvoor in 2015 is uitgewerkt wat dit behelst; ook is het practoraat inmiddels een beschermde titel. Het was mogelijk dan ook slechts een kwestie van tijd dat het funderend onderwijs zou volgen en inderdaad: voor het vo is er het relatief nieuwe auctoraat (www.auctoraat.nl), ook wel didactoraat. En voor het primair onderwijs is er het primoraat.

De Beroepsvereniging Academici Basisonderwijs (BAB) muntte de term primoraat in 2021: huidig BAB-bestuurslid Maaike Nederstigt startte dat jaar als eerste primor bij Openbaar Onderwijs Groningen. Zij was destijds de eerste primor, maar na haar volgden er meer.  De BAB beschrijft het primoraat op de website als volgt: “Een Primoraat bestaat uit een klein groepje betrokken leraren of leraar-ondersteuners die de dagelijkse onderwijspraktijk een kwaliteitsimpuls willen geven ter verbetering van het onderwijs aan ieder kind. In een Primoraat wordt er door de Primor een gerichte onderzoeksvraag opgesteld. Het doel van het Primoraat is om de onderzoeksvraag evidenced-informed te beantwoorden en de opbrengsten zijn gericht op het verbeteren van de dagelijkse onderwijspraktijk”.

Een Primoraat bestaat uit een klein groepje betrokken leraren of leraar-ondersteuners die de dagelijkse onderwijspraktijk een kwaliteitsimpuls willen geven ter verbetering van het onderwijs aan ieder kind.

In den beginne
De BAB is als vereniging ontstaan na de komst van de academische pabo. Na het afstuderen van de eerste academische leerkrachten, aldus Lisa Reinders, de huidige voorzitter van de vereniging, bleek dat het onderwijswereld nog niet klaar voor ze was. Besturen en schoolleiders wisten nog niet goed hoe ze de academische vaardigheden van deze leerkrachten konden inzetten binnen de scholen. Een zorg was dat academische leerkrachten het vak gedesillusioneerd zouden verlaten. Dit was reden voor enkele academische leerkrachten om zich hard te maken voor de belangen van de beroepsgroep; in 2016 werd de beroepsorganisatie opgericht. De vereniging is sinds haar ontstaan flink gegroeid en heeft nu zo’n 350 leden. De missie van de vereniging kent drie pijlers: 1) het behartigen van de belangen van academische leerkrachten binnen het primair onderwijs, 2) het inspireren van en door academische leerkrachten, en 3) de borging van professionaliteit van de academische leerkracht. Maar daarnaast, en daar komt het primoraat uit voort, wil ze het onderzoeksmatig en evidence-informed werken in het basisonderwijs stimuleren: Door het nastreven van [de missie] ontstaat er een brug tussen onderwijs en onderzoek, die van belang is voor een goede kennisinfrastructuur in het (basis)onderwijs. Zo dragen ambitieuze, hoogopgeleide leerkrachten bij aan een blijvende kwaliteitsimpuls in het basisonderwijs waar de hele Nederlandse maatschappij profijt van heeft”.

De BAB stelt geen functie-eisen aan een primor, al had ze de academische leerkracht voor ogen toen ze het primoraat lanceerde. Dat is dus anders dan bij de lector, waar een doctorstitel vereist is, en de practor, waarbij een doctors-, doctorandus- of mastertitel op z’n minst gebruikelijk is.  De BAB benadrukt vooral het belang van een goede facilitering van de primor. Het uitgangspunt is dat een primor één dag in de week moet kunnen besteden aan onderzoek en het delen van de onderzoeksresultaten. De vereniging zelf faciliteert de begeleiding van de primoren door de inzet van een kernteam: BAB-leden die (op vrijwillige basis) de primoren periodiek begeleiden en fungeren als vraagbaak. Op dit moment zijn er in Nederland ongeveer 20 primoren, Stichting BOOR heeft het grootste aandeel primoren, maar daarnaast zijn er nog enkele besturen die één of meerdere primoren hebben.

Primoren bij Stichting BOOR
“Stichting BOOR werkt nu voor het derde (school)jaar met primoren”, aldus BOOR-beleidsadviseur Saskia Klomps. Het instellen van primoren binnen BOOR was onderdeel van de onderzoeksagenda van de stichting, die evidence-informed werken wil bevorderen. BOOR had geconstateerd dat wetenschappelijke inzichten niet altijd landen op de scholen en dat het bovendien lastig is voor onderwijsteams om de koppeling tussen wetenschappelijke inzichten en de praktijk te maken. Het primoraat moest deze kloof gaan dichten. Daarnaast was de hoop dat het primoraat het onderzoekend vermogen van een school zou vergroten. En zo werd er gestart met in eerste instantie twee primoren, en inmiddels zijn dat er dertien.

Klomps omschrijft de primor als ‘een nieuwsgierige leerkracht’. Academische vaardigheden zijn daarbij nuttig, maar niet verplicht. De BOOR-primoren volgen in hun onderzoek de cyclus van het praktijkgericht onderzoek van Van der Donk en Van Lanen (2015). Om te zorgen dat hun onderzoek deugdelijk verricht wordt, worden de primoren binnen BOOR intensief begeleid door mensen uit de academische wereld of van kennisinstituten. Daarnaast is er begeleiding vanuit de BAB, waarbij ook de primoren van andere onderwijsbesturen betrokken zijn. De aanstelling als primor is in principe voor een jaar, de onderzoekstaak wordt daar ook op ingericht. Er wordt momenteel gekeken of verlenging mogelijk en wenselijk is, omdat sommige onderzoeken nog niet binnen dat jaar zijn afgerond.

De bedoeling is om op termijn het primoraat structureel te bekostigen, maar vooralsnog bekostigt BOOR  het primoraat vanuit de subsidie basisvaardigheden; de verrichte onderzoeken van de primoren zijn dus ook gericht op het versterken van deze vaardigheden. Daarbinnen formuleren primoren een eigen onderzoeksvraag, die wel moet voortkomen uit vraagstukken die voor de eigen school relevant zijn, zodat de school ook echt verder kan met de opbrengsten. Een greep uit de onderzoeksvragen van dit schooljaar: de instroom van nieuwkomers in het reguliere onderwijs, het versterken van het rekenonderwijs, een effectieve inzet van huiswerk en de mogelijkheden om het taal- en leesonderwijs meer thematisch in te richten.

In eerste instantie was er binnen BOOR gekozen voor een bovenschools primoraat, maar daar is de organisatie op teruggekomen. De bovenschoolse inrichting maakte de binding met de praktijk te fragiel. Door het primoraat in te richten binnen een school is het effect ervan veel groter. De vorm van een primoraat is niet voorgeschreven. Wel vindt BOOR het van belang dat er een goede lijn is tussen de primor en het MT/de schoolleider en dat het onderzoek regelmatig wordt besproken met het team. Die inkadering binnen de school is nog niet altijd sterk genoeg en is daarom een aandachtspunt voor volgend jaar.

Naast de voordelen voor scholen en de primoren, is een groot voordeel voor BOOR de relatie die er wordt opgebouwd met hogescholen en universiteiten. De relatie werd aangegaan voor de begeleiding van de primoren, maar ook de daar aanwezige expertise wordt nu veel beter benut, doordat practoren en lectoren bijvoorbeeld lezingen verzorgen. “En ze komen graag, zijn heel enthousiast”, aldus Klomps.  

Primor aan het woord
Vera Bubberman staat drie dagen in de week voor groep 7, één dag in de week werkt ze als primor en haar vijfde werkdag werkt ze voor de Erasmus Universiteit als instituutsopleider. Na haar afstuderen in 2021 begon ze als leraar op Het Landje, een grote school middenin Rotterdam. Daar merkte ze al snel dat ze weliswaar veel plezier had in het lesgeven, maar dat ze op analytisch vlak uitdaging miste. De directeur van haar school had dat door en vroeg of het primorschap niet iets voor haar was. En zo geschiedde. Sinds dit schooljaar richt ze zich op huiswerk binnen de context van het primair onderwijs. Er was op haar school geen eenduidige huiswerkpraktijk en het team wil huiswerk effectiever inzetten en een logische doorlopende lijn ontwikkelen, ook ter voorbereiding van de overstap naar het voortgezet onderwijs. Bubberman startte begin dit schooljaar met het onderzoeken van het probleem in de praktijk. Vandaaruit is ze (wetenschappelijke en meer praktische) literatuur gaan zoeken en formuleerde ze onderzoeksvragen en zo kwam ze tot een set onderzoeksactiviteiten voor het praktijkonderzoek. Dat onderzoek, daar zit ze momenteel middenin.

Hoewel er formeel geen anderen onderdeel zijn van haar primoraat, ervaart ze op school de steun van velen. Ook vindt ze veel steun bij de twee andere primoren. Hoewel zij verschillend onderzoek doen, vinden ze geregeld tijd om te sparren en elkaar te helpen. Maar ook de rest van het team helpt graag mee. Het is wel eens lastig om collega’s om medewerking te vragen: “De werkdruk is al hoog en dan kom ik met mijn vragenlijst”, aldus Bubberman. Maar haar collega’s zien het belang van haar onderzoek en door ze goed mee te nemen in de voortgang, krijgt ze alle medewerking. Daarnaast is ook de schoolleider van Het Landje een grote steun: zij is zeer geïnteresseerd, denkt mee en faciliteert het onderzoek. Zeker die facilitering is voor Bubberman een belangrijke randvoorwaarde: door de druk op het onderwijs is het voor de primor en de school verleidelijk om de onderzoeksdag te laten vervallen wanneer er bijvoorbeeld iemand ziek is. Sommige primoren moeten hun onderzoeksdag dan zelf sterk verdedigen, op Het Landje bewaakt de schoolleider dit. Maar ook buiten de school vindt ze steun, bijvoorbeeld in de begeleiding die BOOR biedt aan de primoren.

Op Het Landje ziet Bubberman collega’s steeds nieuwsgieriger worden. Als het om onderwijsontwikkeling gaat, gaan ook zij tegenwoordig eerst op onderzoek uit voordat ze gaan handelen. Dus los van de resultaten van haar onderzoek, ziet ze dat het bestaan van het primoraat de school ook verder brengt in een onderzoekende houding van het team. Zelf leert ze ook veel van het primoraat, bijvoorbeeld met betrekking tot het onderhouden van contacten met externen en het meenemen van het team. De groep primoren bij BOOR is divers, maar is wel relatief jong. Voor hen zijn dit soort vaardigheden vaak nog een ontwikkelpunt. De begeleiding vanuit BOOR heeft daarom ook juist betrekking op deze vaardigheden. Zo verzorgt Marco Snoek (lector HvA) binnenkort een lezing over hoe je je onderzoek kan laten leiden tot schoolontwikkeling.

De toekomst
Door de groei van het aantal primoren en het aantal onderzoeksinitiatieven moet de BAB nadenken over haar rol in de toekomst. “Als de BAB de begeleiding zelf blijft doen op vrijwillige basis, dan blijft die rol klein. De tijd en capaciteit van vrijwillige begeleiders is beperkt.”, aldus BAB-voorzitter Reinders. De BAB ziet echter dat er de laatste jaren in het basisonderwijs steeds meer aandacht is gekomen voor onderzoek. Ook onder andere noemers dan het primoraat ondernemen onderwijsbesturen verschillende onderzoeksactiviteiten. Soms gaat het over de inzet van expertleerkrachten, soms over een onderzoeksagenda of -werkplaats. “We willen hier nog meer zicht op krijgen, maar duidelijk is dat onze ambitie om het primair onderwijs meer onderzoeksmatig te laten werken een succes is”, aldus Reinders. Gezien de vele onderzoeksinitiatieven in het land hoeft het geen bezwaar te zijn als het aantal primoren niet stijgt. De doelstelling om onderzoek en onderwijs meer aan elkaar te verbinden, lijkt ruimschoots behaald. De BAB ziet voor zichzelf dan meer een verbindende rol tussen de verschillende onderzoeksmatige initiatieven die er in het land zijn. Maar ze onderzoekt ook of er ergens middelen beschikbaar zijn om het primoraat verder te brengen, en of er misschien een andere plek is waar het primoraat een thuisbasis kan vinden.

BOOR gaat ze intussen gewoon verder. De stichting stelt zich ten doel dat over drie jaar elke basisschool een primor heeft. Klomps zegt daarover: “Nog niet elke school zal daaraan toe zijn en de schoolleider beslist er uiteindelijk over, maar een primoraat op school is dus wel het uitgangspunt.” Daarnaast overweegt BOOR om de primoren bovenschools te koppelen rondom een onderwerp, het bovenschoolse delen van de opbrengsten kan namelijk sterker. “Wat we nu doen, is resultaten delen binnen het bestuur en met de buitenwereld, bijvoorbeeld via social media. Maar we willen het nog meer koppelen aan beleid van het bestuur”.

Kortom, het primoraat is nog jong en volop in ontwikkeling, maar lijkt een vaste plek veroverd te hebben. We zullen de ontwikkelingen blijven volgen. We zijn benieuwd hoeveel onderwijsbesturen de komende jaren hun scholen en leerkrachten deze kans gaan geven en wat het effect van primoraten op het kennis- en vaardigheidsniveau van de leraren op de scholen zal blijken te zijn.

Geraadpleegde bronnen:

www.bab.nl
www.practoraten.nl
www.lectoren.nl
www.auctoraten.nl

Van Lanen, B & C. van der Donk (2015). Onderzoekend leren – een stappenplan voor onderzoeksopdrachten. Van der Donk & Van Lanen.