DNM-online

Platform over Leiderschap, Bestuur & Toezicht

Jorrit Blaas

Jorrit Blaas is leraar op het Amsterdams Beroepscollege Noorderlicht en Teamleider bij het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; hij schrift dit artikel op persoonlijke titel.
E-mail: jorritblaas@gmail.com

Zeg, tot welk kamp hoor jij eigenlijk?

Hoe leraren elkaar kunnen vasthouden terwijl sociologische en technologische krachten hen verder uit elkaar dreigen te drijven.

Al meer dan tien jaar verbaast Jorrit Blaas zich over de vaak verhitte toon van het onderwijsdebat. In dit artikel zoekt hij naar verklaringen, maar vooral ook naar manieren om tot een vruchtbaarder gesprek te komen.

“Maar zo maak jij gewoon bewust de levens van honderden leerlingen kapot!” Ik schrok mij wezenloos toen dit tien jaar geleden tegen mij gezegd werd. En dan ook nog door iemand die net als ik een jonge leraar was. Vuurrood geworden probeerde ik iets inhoudelijks terug te zeggen, maar ik was eigenlijk te geschokt om een fatsoenlijke zin te maken. Tien jaar lang heeft dit gesprek in mijn hoofd gespookt, en kwam ik deze gesprekstoon regelmatig in een verhitte debatten tegen. Ik besloot op onderzoek uit te gaan in vier vragen: Waarom kunnen leraren die in alle opzichten op elkaar lijken qua standpunten soms mijlenver uit elkaar liggen? Is dit altijd al zo geweest? Waarom is dit gesprek zo verhit? En hoe kunnen we het gesprek beter voeren?

Iedereen die in het onderwijs werkt, heeft weleens een situatie zoals de mijne meegemaakt. Misschien was het een sneer van een ouder op de ouderavond, of was het die ene veeg uit de pan in een column, of misschien ook een maatschappelijke organisatie die via een stevige uitspraak een voet tussen de deur probeerde te krijgen in de school. Het gevolg is in veel gevallen een reactie die lijkt op een overlevingsinstinct: ‘fight, flight or freeze’. Het roept in elk geval geen verbindende reactie op. Vreemd eigenlijk, dat we als leraren in de klas een gemeenschap aan het vormen zijn, maar elkaar buiten de klas zo uiteen kunnen drijven. Vandaar dus mijn eerste vraag.

Het gevolg is in veel gevallen een reactie die lijkt op een overlevingsinstinct: ‘fight, flight or freeze’. Het roept in elk geval geen verbindende reactie op.

Waarom liggen we in het onderwijs soms mijlenver uit elkaar?
Leraren maken niet deel uit van één gemeenschap, maar van tientallen. Dat kan ook niet anders, want een groep van 250.000 leraren is te groot om slechts één gemeenschap te vormen. Maar doordat een leraar zich identificeert met meerdere gemeenschappen, bestaan er ook sociologische en antropologische bewegingen die die gemeenschappen uit elkaar kunnen drijven. Er zijn uiteraard te veel sociologische bewegingen om die in detail te bespreken, dus beperk ik mij hier tot het noemen van enkele relevante bewegingen die mij zijn opgevallen.

  • Sense of belonging. Iedere leraar heeft een diepe behoefte om bij een groep te horen en daarin te worden geaccepteerd. De behoefte dus om een relatie aan te gaan, en om je daarbinnen ook vrij en competent te voelen. Deelnemen aan een groep wordt zo ook deel van je identiteit: “ik voel mij hier erkend”. Zo kun je je bijvoorbeeld primair geschiedenisdocent voelen, maar je kunt je ook identificeren als Daltondocent, onderwijsvernieuwer of traditionalist.
  • Schismogenese. Antropoloog Gregory Bateson constateert dat mensen een neiging hebben te zoeken naar polaire tegenstellingen en vervolgens de dingen ook in dat frame van polaire tegenstellingen (hokjes) te plaatsen. Anders gezegd, leraren identificeren zich ook via het benadrukken van het verschil met andere groepen. Relatief kleine verschillen kunnen zo breed worden uitgemeten: “ow, je bent echt heel erg…” en die kunnen leiden tot “zeg, tot welk kamp behoor jij eigenlijk?”.
  • Cognitieve dissonantie en confirmation bias. Wanneer vervolgens iemand buiten jouw directe groep met een schijnbaar tegenstrijdig verhaal komt, dan ontstaat een ongemakkelijk gevoel. Klopt dit wel met mijn set aan waarden en overtuigingen? Zolang het bewijs niet bij jouw waarden of overtuigingen aansluit, wordt het over het algemeen niet geaccepteerd.

Deze bewegingen versterken elkaar. Het is daarmee dan ook (helaas) best logisch dat het zo moeilijk is om één beroepsgroep onder leraren te vormen, waardoor er momenteel zoveel aparte verenigingen in en rondom het onderwijsveld zijn. Nou ja, momenteel? Dat roept een andere vraag op.

Is er onder leraren altijd al sprake geweest van groepsvorming en uitvergrote verschillen?
Het simpele antwoord is: ja. Voor een historische reflectie kan ik iedereen ‘De geschiedenis van het onderwijs in Nederland’ (De Rooy 2018) aanbevelen en ook de recent verschenen biografie van één van de oervaderen van het Nederlandse onderwijs: Theo Thijssen. Thijssen was schrijver, schoolmeester en socialist, maar ook een berucht provocateur en een columnist met zeer scherpe tong. Over een ‘vertelselboek’ schreef Thijssen in januari 1909: “Het is eigenlijk schandalig over het onderwijs te schrijven op een zo muffe manier als de heren H. en St. dat doen. Al hadden ze het grootste gelijk van de ossenmarkt, dan moesten ze nog liever zwijgen dan zó te spreken. (…) Ik eindig dus maar met de eenvoudige verzekering, dat het opstel van 36 grote bladzijden van de heren H. en St. kool is; soep; koolsoep! Koek, kletskoek: oude wijvenpraat; dilettantengeleuter vol vergeefse deftigheid. Vooruit kletsmajoortjes van auteurtjes, de school uit!” (De Baar, 2023). Au. Het zijn soms de grootste verbinders, die het raakst kunnen formuleren. Dat roept dan ook de volgende vraag op.

Waarom is het debat soms zo verhit?
Een pittig debat komt uiteraard in elke sector voor. Van de politiek tot de zorg en van bankiers tot de politie. Maar wat leraren uniek maakt is dat het hun kerntaak is om van individuen een groep te maken, om gezamenlijke normen af te spreken en daar op een respectvolle manier naar te handelen. Dat doen we met leerlingen, elke dag. Onze klas is een mini-samenleving en we bereiden leerlingen daarin voor op het echte werk. We zouden het dan toch beter moeten doen? In principe wel, maar er zijn een aantal factoren die onze tong scherper maakt.

  • Emotionele lading. Het gaat mij aan het einde van de dag niet om geld of om targets. Het gaat mij om de leerlingen. Als een leerling breekt, breek ik zelf ook een beetje. We zijn als leraar zo diep betrokken bij het welzijn van onze leerlingen dat we soms door roeien en ruiten willen gaan. Dat is onze grootste kracht, en tegelijkertijd ook onze achilleshiel. Dit kan immers leiden tot ongewenste effecten: een hoge werkdruk, burnout-klachten en soms zelfs een gevoel van wanhoop (“ben ik nu de enige die…?”).
  • Negativity bias. “Focus op het wat er wél goed gaat!” We zeggen het als leraren vaak tegen onze leerlingen, maar vergeten het soms zelf wel eens. Mensen reageren namelijk (veel) sterker op negatieve informatie dan op positieve informatie. Een provocerend bericht trekt nu eenmaal meer onze aandacht dan een verbindend bericht.
  • Social media. Tien jaar geleden leek het een zekerheid: social media zouden de grote verbinder zijn. En laten we ook zeker stilstaan bij de platforms waar dit is gelukt: Facebookgroepen waarin per vak materiaal wordt gedeeld en spontane groepsvorming via X (voorheen Twitter). Maar er is meer. Doordat er groepsvorming is, komen ook online dus sense of belonging, schismogenese en cognitieve dissonantie voor. En de effecten daarvan worden versterkt door het algoritmen die de social media platforms sturen. Een bericht dat provoceert, krijgt meer likes en views. Het algoritme pikt dat op en vertoont dat vervolgens vaker in jouw eigen feed, waardoor de kans ook weer toeneemt dat ook dat bericht meer views en likes krijgt. Enzovoort.

Het beantwoorden van deze vragen, gaf mij een vreemd gevoel van geruststelling: leraren zijn net mensen. En ook al snap je het beter, toch doet het pijn. Pijn als je zo lijnrecht tegenover een andere leraar (een collega!) komt te staan dat er geen gesprek is, maar enkel een uitwisseling van standpunten. En dat terwijl je ziet dat (ook) hij of zij voor een leerling door het vuur zou gaan, en dat hij of zij fantastisch lesgeeft. En dat brengt mij bij de laatste vraag.

Hoe kunnen we het gesprek beter voeren?
Naast mijn leraarschap ben ik ook al tien jaar werkzaam bij het ministerie van OCW. Dat betekent dat ik ook de publieke belangen dien van het hele onderwijs. Alles. Iedere stroming en elke subgroep. Dat betekent niet dat ik het met alle stromingen of subgroepen per se zelf eens ben, maar dat betekent wel dat ik alles moet begrijpen en mij daartoe moet verhouden. En weet je wat mij heeft verbaasd in al die tijd?

Dat de verschillen tussen stromingen en subgroepen in werkelijkheid zoveel kleiner zijn dan ze op papier lijken. Verschillen worden soms tot karikaturen uitvergroot. Maar uiteindelijk staat geen enkele stroming of subgroep op zichzelf. Ik heb de beste lesinstructie ooit gezien bij een leraar die zwoer bij gepersonaliseerd leren. Ik heb het beste vakoverstijgende project ooit gezien bij een leraar die zelf zwoer bij directe instructie en vakgericht onderwijs. De mooiste feedbackvorm zag ik bij een leraar die formatief handelen “maar onzin” vond. Na afloop vraag ik dan ook vaak of ze wel eens het boek van auteur [X] hebben gelezen, of de podcast van wetenschapper [Y]. Soms wel, maar ook heel vaak wordt er een vies gezicht getrokken alsof ik ze zelf niet allemaal op een rijtje heb.

Laten we daarom samen – als beroepsgroep – eens proberen om de sociologie en de technologie te verslaan. Laten we elkaars werk weer lezen, elkaars podcast beluisteren en over onze eigen schaduw heen stappen. Laten we het algoritme verslaan en elkaar weer volgen. Elkaar letterlijk ‘volgen’ in de (sociale) media, maar ook figuurlijk ‘volgen’ als in begrijpen: ik volg jou. Ik heb in mijn leven ooit één keer iemand geblockt op social media en ik had daar gelijk spijt van. Ik realiseerde mij dat ik mijzelf afsloot voor iemands mening en dat ik diegene dus ook niet meer erkende als volwaardig gesprekspartner. Maar hoe kan ik dan de publieke belangen dienen als ik niet naar iedereen luister? Het was voor mij een waardevolle les: gooi nooit de deur dicht.

Hoe nu verder?
Je hoeft je nu niet meteen opnieuw aan te sluiten bij een groep of een beweging. Elke leraar kan immers morgen in de lerarenkamer al beginnen met dit goede gesprek, door uit te gaan van de goede bedoelingen van de ander en je in te leven in waarom iemand iets zegt. Tja, je mag mij een dromer noemen, maar ik ben in ieder geval niet de enige. 

Momenteel is er in ieder geval een groep onder de noemer ‘Dialoog voor onderwijs’ bezig om exact de bovenstaande doelstellingen te verwezenlijken en de deur weer te openen. De stelling van deze groep is dat we de grote maatschappelijke problemen van onze tijd – het lerarentekort, dalende onderwijskwaliteit en kansenongelijkheid – pas kunnen bestrijden als we elkaars taal weer spreken. Of zoals zij zelf zeggen: “`The whole system’ is aan zet. Iedereen: leerling, leraar, leider, bestuurder, toezichthouder, onderzoeker, inspecteur, beleidsmaker, politicus, ouder, burger, kan zijn of haar verantwoordelijkheid nemen.” Deze groep organiseert regelmatig sessies om te komen tot een gemeenschappelijke, meerjarige opdracht voor het onderwijs. Niet vanuit één perspectief, of één richting, maar juist vanuit het zoeken van overeenkomsten uit heel veel verschillen.

Deze groep die de verbinding zoekt, staat er gelukkig niet alleen voor. De afgelopen tien jaar zijn er een aantal mooie platforms ontstaan (en soms ook weer verdwenen) die exact dat beoogden; de verbinding zoeken. Denk bijvoorbeeld aan de Meet-ups van Tegenlicht, de Leesknokploeg, de onderwijspubquiz, ResearchED, PO in Actie, het Lerarencollectief, de commissie Boerenverstand, Teacher Tapp en nog veel meer. En ja, ook dit zijn allemaal subgroepen, met soms dus ook de sociologische neiging om te veel naar binnen gericht te zijn. Maar ik merk dat de neiging om te verbinden uiteindelijk sterker is dan de neiging om te verdelen.